Van goot tot glorie (binnen een uur)
- tessdumitru
- 1 dag geleden
- 2 minuten om te lezen
Vlak bij onze poort zie ik vanuit de verte een wat vreemde beweging op de grond. Alsof er twee voetjes heen en weer bewegen. Ik knijp met m’n ogen en zie het dan beter. ‘Kijk’, zeg ik tegen de jongens, ‘het lijkt net alsof daar iemand ligt, maar het zijn eigenlijk twee duiven.’ We komen iets dichterbij totdat Mingus ineens stopt met lopen. ‘Nee, mama, daar ligt écht iemand!’
Oh, nee… mijn schoonvader valt weleens en ik ren eropaf. Straks ligt hij daar en kan hij niet meer overeind komen. Vanachter me hoor ik Mingus roepen: ‘Ik bel Tati!’ Als ik dichterbij kom zie ik dat het niet onze poort is waar de persoon voor ligt, maar die van de buren. Het blijkt mijn schoonvader niet te zijn, maar een nog wat oudere man. Hij is wakker, heeft een wond op z’n neus en kan overduidelijk niet opstaan. ‘Heeft u pijn?’ vraag ik in m’n beste Roemeens. Ik probeer ‘m overeind te tillen, maar hoewel hij heel klein is, is hij behoorlijk bonkig en zwaar. Ik krijg ‘m op handen en knieën, maar hij dreigt elk moment weer voorover te vallen. Ik hou ’m stevig vast. De jongens rennen achter me langs naar huis.
Dani komt eraan. Zijn eerste vraag: ‘Heeft u wat gedronken?’ Gegiechel. Ja dus. Samen helpen we meneer op z’n benen. Zijn fiets blijkt keurig tegen het hek te staan, zijn petje hangt eraan. Hoe kan dat?! Is er al iemand langs geweest die de fiets en pet wel heeft opgepakt maar de man heeft laten liggen? Geen tijd om over na te denken, Dani wil hem met fiets en al in onze auto zetten, maar die blijkt veel te hoog voor dit kleine mannetje. Hij wil zelf fietsen, maar kan nog geen halve meter rechtdoor lopen. Ik pak snel een stoel uit onze tuin. Hij moet eerst maar even zitten.
Als hij rustig zit bedenken wij plan B. Dani heeft inmiddels ontdekt waar hij woont, niet heel ver bij ons vandaan. Maar op het tempo waarop hij zwalkt zal het wel even duren voordat hij er is. En alleen gaat het sowieso niet. We moeten mee. Goed, daar gaan we. De man wil per se z’n fiets vasthouden. Wij leunen hem steeds in de goede richting. Na een tiental meters blijken we geluk te hebben. Op de hoek van de straat staat een taxi. Eentje waar hij makkelijk in kan stappen. Dani zet hem erin en geeft de taxichauffeur geld. Die fiets brengen we zo wel thuis. Nog even kijkt hij de man aan. ‘Gaat het goed zo, meneer?’ vraagt hij. De man heeft een gelukzalige glimlach om z’n mond en murmelt iets. ‘Wat zegt u, meneer?’. Dan zegt hij het iets harder en verstaan we het allebei. ‘Dit is de eerste keer in m’n leven dat ik in een taxi zit.’

Opmerkingen